Heide (of hoe onbeteugelde flauwekul me weer hielp schrijven)

Schuin voor het bankje met uitzicht op een meertje stond een hek van prikkeldraad en daarvóór een bruin bordje met de verwarrende mededeling: heide in ontwikkeling. (Subtitel: geen toegang.) Verwarrend, want er was in geen velden of wegen heide te zien. Wat niet is, kan nog komen, hoor ik u zeggen, zeker ‘heide in ontwikkeling’. Nou, daar ben ik het niet mee eens, want iets wat in ontwikkeling is, bestaat al wel.

Op ons heelal na dan, zeggen geleerden, dat ontwikkelde zich spontaan uit het niets. Waarvan ik me dan weer afvraag of dat wel ontwikkelen is. Van niets meteen iets. En dan niet zomaar iets. Ik bedoel, een HEELAL!

Trouwens, ze noemen het ontstaan van ons heelal The Big Bang en niet The Big Development.

Dus.

Hoe dan ook, heide is echt wat anders dan een heelal. Heide heeft een begin nodig om zich te ontwikkelen en dat was er nog niet. Dus eigenlijk hadden ze op het bordje moeten schrijven: straks komt hier heide. Of: we gaan hier met heide beginnen. Of: woorden van gelijke strekking. Wat dat ‘geen toegang’ dan weer wel iets voorbarig maakt, lijkt me, maar daar ga ik niet moeilijk over doen. Misschien wil staatsbosbeheer voorkomen dat de aarde straks finaal is platgelopen als ze de heide gaan planten, zaaien…

Eh… Hoe begint heide eigenlijk?

(Ik onderdruk hier de neiging om dat op te zoeken. Ik ben net zo blij dat ik weer eens schrijf. Fact checking is uitstel. Een van de vele soorten uitstel die ik ken.)

Intussen maakte ik me wel zorgen over het meertje, want dát was er al wel. Zou iemand aan dat water verteld hebben dat er heide in aantocht is? Ik hoop het, want die heide zal per slot van rekening een soort nieuwe buur zijn. Sterker nog, misschien ontwikkelt die heide zich wel tot een soort oever. Daar zou ik als ik het meertje was, wel van tevoren even iets over willen weten.

Dat bracht me ineens op het idee om te onderzoeken of dat bordje omgedraaid kon worden, zodat het meertje wist wat er komen ging. Ja, bizar idee, maar als ik twee uur in mijn uppie gewandeld heb, kom ik al denkend in een hele andere wereld terecht, een vrolijk en absurd universum waarin ik echt alle flauwekul serieus neem.

Dus ook dit idee, dat niet alleen absurd maar ook een beetje gevaarlijk was, want de verleiding was groot om eens te gaan voelen hoe stevig dat paaltje nu eigenlijk in de grond stond. Ik zag mezelf in gedachten het ding al optillen (arm om de paal, schouder onder het bordje) 180 graden draaien en weer terugzetten. Leek me zelfs met één functionerende hand/arm goed te doen, als het paaltje zonder moeite los te wrikken was, natuurlijk.

Vanaf mijn bankje stelde ik vast dat het in een veel te groot gat stond. Ik zag aan alle kanten ruimte. Ik keerde terug naar mijn idee en stelde me nog eens voor hoe ik in één vloeiende beweging het bordje zou omdraaien, een foto zou nemen van de nieuwe situatie en dan alles weer in de oorspronkelijke staat zou herstellen. Gewoon ter illustratie van dit verhaal.

En niet alleen ter illustratie, ook voor mijn gemoedsrust, want de hele toestand liet me niet meer los. Ik vind namelijk dat we de natuur serieus moeten nemen zoals we dieren en medemensen serieus moeten nemen, en in dat licht werd de mededeling op het bord opeens een groot ding waar ik niet meer omheen kon. Het meertje móést dat bord lezen. Ja, ik snapte ondanks de twee uur hallucinogeen wandelen ook wel dat het meertje niks zou gaan lezen, maar dat maakt voor mijn innerlijk evenwicht op zo’n moment niks meer uit. Rationeel denken is dan lang zo waardevol niet meer.

(Toch nog een fact gecheckt… dat meertje heet het Pluismeer. Echt schattig toch? Het komt aan die naam doordat er veel Wollegras groeit. Nog schattiger! Reden temeer om niet te licht over die aanstaande heide te denken, want voor je het weet kan dat Wollegras geen kant meer op en dat zou jammer zijn.)

Goed, terug naar dat paaltje. Even voor de gein omdraaien, foto maken, en weer terugzetten. Appeltje eitje. Of misschien, in lijn met 6 7 (six seven): 8 9 (eight nine)?

Eh…

Waar was Koala? Die had me fijntjes eraan kunnen herinneren dat dit soort dingen bij mij altijd anders aflopen dan gedacht.

Koala sliep.

Je bent Koala of niet.

Dat heb ik weer.

Goed… Du moment dat ik dat paaltje uit de grond trok, stond er een boswachter naast me.

‘U weet dat meertjes niet kunnen lezen, hè?’ zei ze.

Huh…?

Ik knikte.

Verbouwereerd.

En toen besloot ik om haar maar gewoon al mijn overwegingen en het bijbehorende plan uit de doeken te doen. Om een of andere reden dacht ik dat ze mij wel zou begrijpen.

Dat was zo.

Wat volgde was een uitgebreide fotosessie van de hele onderneming, inclusief close-ups van heide in ontwikkeling, die er wel degelijk was (ik had niet goed gekeken), en tot slot een paar melige selfies van ons beiden en het Pluismeer. Helaas kan ik de foto’s hier niet publiceren, want dan zou de boswachter in de problemen komen. Alleen de foto van het paaltje in oorspronkelijke toestand mocht ik boven mijn blog zetten. En ik moest vanwege de AVG de naam van het meertje veranderen. Het Pluismeer bestaat wel, maar daar heb ik dit allemaal niet meegemaakt.

Nee, dat was in mijn vrolijke en absurde universum waar echt iedere soort flauwekul serieus is. Ik ben blij dat ik het weer gevonden heb.

Vuurwerk

Dit voorjaar heb ik een heel nieuw soort vuurwerk ontdekt. Echt super mooi! Veel beter dan dat ouderwetse vuurwerk.

Het maakt bijvoorbeeld geen lawaai.

Grote plus.

Nog een plus: het stinkt niet. Sterker nog, het ruikt verrukkelijk.

En wat helemaal mooi is: je kunt er naar kijken zonder dat je droevig hoeft te zijn omdat het verdwijnt waar je bijstaat. Het verdwijnt gewoon heel langzaam, dat duurt wel een paar maanden. Dus je kunt gewoon blijven staren tot de tranen in je ogen staan. Of tot het donker wordt.

Oh ja, da’s ook een voordeel! Dit vuurwerk is overdag veel beter te zien dan midden in de nacht!

En dat allemaal voor bijna noppes. Het is absurd goedkoop!

Wat wil een mens nog meer?

‘Geluk,’ zei Koala. Nooit te beroerd om ambitieuze doelen te stellen.

‘Hm…,’ zei ik. ‘begin volgend jaar nou eerst eens met iedere morgen deze foto te bekijken. Daar word je telkens wéér blij van. En dan wordt 2026 heus een beetje leuker.’ Koala keek met een schuin oog naar de foto. ‘Kijk, Je lacht nu al!’

Bramen

Het stel dat innig tegen elkaar aan gekropen op mijn lievelingsbankje zat, had geen weet van de rest van de wereld, laat staan van mij, waardoor ze ook niet zagen dat ik behoorlijk teleurgesteld aan kwam lopen, want dat bankje had een erg belangrijke rol in het programma van mijn dag. De wandeling waar ik de helft van had afgelegd, was een trip down memory lane, helemaal door mijzelf uitgestippeld met dat bankje en het bijbehorende uitzicht voor ogen. Ja, mijn hele bestaan scharnierde die dag om dat bankje.

En nu zat dat koppel daar.

Ze waren heel erg verliefd, dat zag ik zo, want al hun aandacht en energie ging dus uitsluitend naar elkaar en de dingen die hun geluk nog groter maakten. Zoals de struik tegenover het bankje.

‘Kijk,’ legde de man uit, ‘bramen! Nog een paar weken en dan kunnen we hier gaan plukken.’

‘Hmm, heerlijk!’ zei de vrouw op een toon alsof hij dat speciaal voor haar georganiseerd had. De man knikte alsof dat ook zo was.

En ik moest aan de bramen van mijn jeugd denken. 1969. (Ja sorry, pensioen doet de raarste dingen met je, veel mijmeren over vroeger hoort daarbij. Mental trips down memory lane, als het ware… maar lees vooral door.) Een vriendje vertelde op een dag namelijk dat hij ergens aan de rand van een bos, vlakbij het dorp van zijn oma bramenstruiken had gezien. Het was maar liefst drie kwartier fietsen, maar mijn moeder vond het goed dat we erheen gingen. Ze gaf ons een megalomane emmer mee die alleen met hangen en wurgen onder mijn snelbinders paste en wenste ons een goede oogst.

De bramenstruiken waren er nog steeds en er groeiden ook nog eens, alsof het niets was, enorme donkerrode, bijna zwarte bramen aan. Magisch was het! Ze waren zo mooi dat we ons even afvroegen of we ze zomaar konden plukken. Op de weg terug maakten we plannen voor wat we de met de bramen konden doen en hoewel we allebei niet wisten hoe je bramenjam moest maken, leek ons dat het mooist.

‘Ach, ja… Avontuur op je boterham… mooie tijden waren dat…’ Koala was ook weer even wakker. Om mijn jeugdherinneringen te verpesten.

‘Ja, maak het maar belachelijk!’ zei ik. ‘Maar in de bramenpluk van mijn jeugd zat meer romantiek dan in de verlekkerde blikken van die twee op mijn bankje, want bramen zijn al lang niet magisch meer. Integendeel, een plaag zijn ze! Als ik ga wandelen, moet ik godbeter’t een kapmes meenemen om me een weg te banen door de om zich heen kluwende jungle van stikstofminnende gewassen, bramen vooraan. Niks drie kwartier fietsen. Overal komen die struiken uit de grond gekropen! Met hun laag-bij-de-grondse scheuten die over je voeten groeien waar je bij staat! The last of us is er niks bij…’

‘Oh, mijnheer Poort mengt zich ook eens in een actuele maatschappelijke discussie. En meteen lekker genuanceerd!’ zei Koala.

‘Ja, ik moest minder nuanceren van de dokter. Om te voorkomen dat ik door al dat denken telkens vastloop in mijn hoofd en er nooit meer uitkom. Ik kan het iedereen aanraden. De wereld gaat nog eens aan nuance ten onder. Of anders gezegd, vrij naar Melvin Udall uit ‘As good as it gets’: ‘we’re drowning while describing the water’.

En dan beschrijven we het ook nog eens veel te omfloerst. Neem bijvoorbeeld ‘stikstofminnend’. Wat is dat voor een lieflijk woord? Laten we gewoon nitrofiel zeggen! Dan weet iedereen tenminste meteen dat dit niet goed is. En wie dat ontkent, is zelf een nitrofiel!’

‘Nou, eh, dat is…’ begon Koala. maar ik luisterde niet en liep naar het liefdespaar.

‘Ja! Jullie zijn nitrofielen!’ riep ik.

In gedachten dan.

Dacht ik.

Eh… niet.

‘Je staat nu dus met rollende ogen rabiaat naar dat tweetal te schreeuwen,’ merkte Koala op.

Oh.

Romeo en Julia maakten zich hand in hand en hals over kop uit de voeten, achterna gezeten door de woekerende uitlopers van een bramenstruik.

Eh… en toen werd ik wakker. Op mijn bankje. Waar de wind de lucht van koeienstront en het lawaai van de A27 in mijn gezicht blies.

‘Hoezo is dit eigenlijk mijn lievelingsbankje?’

‘Dat was het in 1981,’ zei Koala, ‘weet je nog?’

Ik ga dat mijmeren proberen af te te leren.

Geluk

Sinds een jaartje staat er regelmatig een mevrouw in de krant die boos kijkt. Soms komt ze ook op het journaal, en dan práát ze ook zo, heel grimmig. Ze vindt alle leuke dingen stom. Lintjes, pretparken en wat al niet meer. Laatst zei ze: ‘het is hier geen vakantieoord’. Je kon aan haar gezicht zien dat een ambtenaar dat woord voor haar had opgezocht.’

‘Hoe heet zoiets ook alweer, waar je heen gaat als je… eh… als je niet werkt?’ had ze gevraagd. En toen hadden ze ambtelijk subversief een woord gezocht in de zevende druk van de Van Dale (1950): ‘vakantieoord’.

Nou, ik ben blij dat dat hier geen vakantieoord is, want het klinkt als een grauwe camping met een hek eromheen waarbinnen het altijd waait en regent. Maar dat bedoelde ze natuurlijk niet. Nee, in de jaren 50 had vakantieoord een positieve vibe en daar is ze dus tegen. Tegen vrolijkheid. Het ging haar erom dat minderjarige asielzoekers goed moesten begrijpen dat er van blijdschap geen sprake kon zijn, dat ze niet de indruk moesten krijgen dat het hier leuk was.

Vandaar dat ze altijd zo nijdig kijkt. Ze denkt natuurlijk: als ik lach dan lijkt het net alsof er hier lol te beleven valt, alsof we te pas en te onpas op snoepreisjes gaan (ook een woord uit die zevende druk van de Van Dale.)

Meestal als zij in de krant heeft gestaan en/of op tv is geweest, komt er een dag later een meneer in de krant en/of op tv die zegt dat de mevrouw gelijk heeft. Die meneer kijkt ook altijd pissig. En hij bleekt zijn haar (soms zijn gezicht ook, om zijn gehele verschijning een beetje in evenwicht te houden, denk ik). Dat peroxidehaar is misschien niet belangrijk om te vermelden, maar ik moet het toch opschrijven, want het blijft me verbazen. Het schijnt dat hij het al sinds zijn 14e doet. Als hij in de media optreedt, zie ik hem in gedachten altijd met zo’n plastic badmuts op in zijn badkamer voor de spiegel staan terwijl het bleekmiddel intrekt. Zou hij dan wel vrolijk kijken?

De mevrouw en/of de meneer zeggen dat asielzoekers hier geen asiel maar geluk komen zoeken. Het zijn gewoon gelukzoekers zeggen ze op een toon alsof dat verwerpelijk is.

Het is natuurlijk de kift. De mevrouw en de meneer en iedereen in hun kielzog zijn al bij voorbaat jaloers op mensen die het zouden vinden. Geluk, bedoel ik. Hoe dom is dat? Want als mensen van heinde en verre in Nederland geluk komen zoeken dan is het kennelijk hier ergens en hebben wij de hele tijd met onze neus gekeken. Ik ken in ieder geval niemand die het gevonden heeft. Die twee chagrijnen van hierboven zeker niet. Maar in plaats van dat ze voorstellen om met z’n allen te gaan zoeken, sturen ze iedereen weg.

p.s. Dit schreef ik allemaal op 1 juni 2025. En ik wist niet of het einde goed genoeg was. Dus liet ik het even bezinken. Nu is het 5 juni 2025. Eergisteren heeft de meneer met zijn hele kielzog het kabinet verlaten. Ik hoop dat ze naar een vakantieoord zijn.

p.p.s. Best wel een goed einde.

p.p.p.s. De foto heb ik van Wikimedia commons geplukt: https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Efteling_python_looping.jpg

Mantelzorg

Ik was amper mijn moeder aan het verplegen, of er verschenen in de krant onheilspellende verhalen over ontspoorde mantelzorg.

Dat was iets. Had ik meteen door. Ik ben dan wel gestopt met werken, maar ik ruik beleid nog steeds op mijlen afstand.

En ja hoor, er is beleid voor ontspoorde mantelzorg! En dat niet alleen, er hoort ook een meldcode bij inclusief een stappenplan voor professionals. Helaas is dat geen handzaam a4tje met zeven staccato opgesomde punten, maar een dikke notitie van 30+ bladzijden met een inhoudsopgave. Zelfs de bijbehorende signalenkaart – klinkt lekker handig – telt vier bladzijden. Dus eigenlijk signaalkaarten. Meervoud.

Oh, misschien een beetje flauw om daar nu cynisch over te doen terwijl ik een paar maanden geleden zelf nog notities schreef, maar ook toen vond ik dat soort lappen tekst al niks. Mijn standaardvraag was altijd: snapt mijn moeder dit ook? Dat was bij deze notitie over ontspoorde mantelzorg opeens een urgentere vraag dan ooit, want nu ging het over haar. En over mij. Over ons.

Ik vond het al opzienbarend dat ik opeens mantelzorger was en zonder iets te doen onderwerp van beleid, en dat mijn moeder vanzelf ‘zorgvrager’ was geworden, maar nu kwam daar gratis en voor niets het kennelijke risico bij dat we elkaar de tent uit zouden vechten.

De notitie is een aanvulling op ‘de verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling’, las ik.

‘Nou, de toon is gezet!’ zou mijn moeder gezegd hebben, als ik dat aan haar voorgelezen had. Heb ik niet gedaan. Maar ze had natuurlijk wel gelijk. Virtueel dan.

Een ander perspectief had ik leuker gevonden. En zij ook, denk ik. Dus geen boekwerk vol met signalen van hel, verdoemenis en heimelijk handgemeen, maar een vrolijke ansichtkaart met vijf tips om de zorg voor een ander zo leuk mogelijk te maken. Met allemaal aardige dingen als uitgangspunt. En van mijn part daar dan ook een boekwerkje bij, maar dan vol met opbeurende en eventueel hartverscheurende verhalen van mensen die er hun leven mee hebben verrijkt.

Ja, ik weet ook wel dat mantelzorg niet altijd rozengeur en maneschijn is. Maar het gaat mij om het perspectief dat de mensen van dat soort beleid nemen. Ze lijken er altijd vanuit te gaan dat dingen verkeerd aflopen.

Koala vroeg: ‘heb je dan alle perspectieven in beeld?’

‘Nee, natuurlijk niet!’ Antwoordde ik. ‘Ik schrijf een blog, geen dissertatie. Ik ben hier mijn ergernis aan het beteugelen! Jij altijd met je bijdehante vragen!’

Eh…

Koala had zoals altijd wel een punt. Misschien moest ik me iets meer in de materie verdiepen. Dus ik terug naar de site van die meldcode en de zoekterm ‘mantelzorg’ ingetypt.

793 hits…

Echt waar.

Ik keek naar Koala, die opeens een losse veter had.

Waar moest ik beginnen? Nou ja, dan maar meteen het eerste artikel. Ik las de titel voor aan Koala: ‘Zie iemand met dementie niet als patiënt maar als mens’.

‘Klinkt geniaal. Zal ik de rest ook aan je voorlezen?’

‘Nee, laat maar… Dit is heel droevig.’

Wat me brengt op de film Monsters Inc. Ja, onverwachte plotwending, maar ik ga het uitleggen.

SPOILER ALERT!

Want, waar gaat de film over?

In Monstropolis wonen monsters en die oogsten de schreeuwen van bange mensenkinderen om energie op te wekken. Dat doen ze met wat ik voor het gemak maar even ‘schreeuwoogstapparaten’ noem. Het is een eeuwenoude industrie, maar het gaat niet goed meer, want kinderen zijn moeilijker bang te maken. Ze schrikken gewoon niet zo snel meer. (…) Hier staan drie puntjes tussen twee haakjes, wat betekent dat ik het een en ander weglaat, een hoop subplots en gedoe, om te komen bij wat volgens mij de belangrijkste scène van de film is.

Een van de monsters ontdekt iets, bij toeval. Als hij een kind wil laten schrikken en uitglijdt, schiet het kind in de lach en springen al de meters van zijn schreeuwoogstapparaat in het rood! Dat lachen wekt super veel energie op!

En dat is dan ook meteen de moraal van dit verhaal: Maak de wereld vrolijker, niet grimmiger!

Misschien een te makkelijke wijsheid, maar wel een die toch het overdenken waard is, al was het maar omdat die me weer bij mijn moeder brengt, want een van haar mooiste eigenschappen was dat ze de akeligste dingen zo kon vertellen dat ze grappig werden.

Waardoor onze mantelzorgrelatie regelmatig ontspoorde, maar dan op een goede manier, bijvoorbeeld als we midden in de nacht omver rolden van het lachen als ze op de rand van haar bed vertelde over de afgrijselijke nachtmerries die ze had gehad.

p.s. Nadat ik bovenstaand verhaal af had, verscheen mijn moeder in een droom. ‘Kun je er nog even bijschrijven dat ik niet ‘iemand met dementie’ was?’ vroeg ze. ‘En vermeld dan meteen ook dat ik me afvraag welke ‘iemanden’ je níét als mens zou moeten zien. Ik zou het niet weten wie namelijk. En nou we het er toch over hebben, weet je wie ik hier gisteren zag? De frater van jouw lagere school die jou steeds moest hebben. Je had nachtmerries van die vent. Arnoldinus! Ze laten hier dus ook gewoon iedereen binnen, alle iemanden die je maar kunt bedenken. We zijn hier allemaal gelijk en alles is vergeven en vergeten! Maar ik ben gisteren toch even per ongeluk express op z’n tenen gaan staan. Dacht dat jij dat wel leuk zou vinden.’

Ik werd wakker omdat ik van het lachen uit mijn bed was gerold.

Rust

In de bossen bij Wolfheze kwam ik er weer eens achter dat de echte wereld zich niks aantrok van de wereld die mijn wandelapp me voorschotelde. Of andersom, dat die app een achterlijke voorstelling van de werkelijkheid had.

Hoe dan ook, toen er een lichtelijk bits ‘Sla rechtsaf’ op het scherm van mijn mobieltje verscheen — echt vriendelijk is navigatiesoftware nooit, daar blijf ik me over verbazen, want hoe moeilijk kan het zijn om mensen gewoon blijmoedig de weg te wijzen? — stootte ik op een soort slagboom waarnaast een bord stond: ‘Verboden toegang Rustgebied voor dieren’ Zonder punten, wat me tot mijn eigen verbazing meer verontrustte dan de verassende constatering dat de route die ik volgde kennelijk niet bestond.

En nu voel ik die onrust weer, terwijl ik de foto bekijk en dit opschrijf. Een zin zonder punt, hoe kort ook, dat is voor mij als een weg die zonder waarschuwing bij een afgrond eindigt. Eng!

De impact (om eens een modieus woord te gebruiken) van die onverwachte verboden toegang viel uiteindelijk wel mee en laat ik eerlijk zijn, dankzij de wandelapp, waarmee ik binnen de kortste keren een alternatief pad vond, om het rustgebied heen.

Wat me meteen aan het denken zette, omdat het een behoorlijke omweg was en ik al wandelend besefte wat voor een enorme oppervlakte dieren kennelijk nodig hebben om te rusten. Een bizarre oppervlakte, mag ik wel zeggen! En dat terwijl rusten doorgaans toch een behoorlijk statische activiteit is. Sterker nog, ik durf wel te beweren dat het helemaal geen activiteit is. Ik heb voor de zekerheid wat woordenboeken erop nageslagen en die wemelden van de synoniemen voor ‘activiteit’ die ‘rusten’ per definitie uitsloten. Ik ga ze hier niet allemaal opnoemen, want dat is saai.

Maar rusten stond er dus niet bij. Dat stond dan weer wel elders in die woordenboeken. Voor de zekerheid schrijf ik die hier wél op: het is de toestand waarin je verkeert als je niks doet.

(Een andere betekenis, die er hier helemaal niet toe doet maar die ik toch even citeer omdat ze echt te mooi is om hier niet te vermelden: ‘Klamp op het voeghout van de vang’. komt uit ‘het molenwoordenboek’. Ja, dat bestaat! Het is pure poëzie.)

Terug naar die rustende dieren. En de ruimte die ze daarvoor nodig hebben. Ik heb het even uitgerekend en kwam op zo’n negen vierkante kilometers. Dat zijn meer dan 1.800 voetbalvelden! Zonder dat er ook maar één dier gaat voetballen!

Dit slaat helemaal nergens op, natuurlijk gaan ze niet voetballen en er zijn in de bossen ook helemaal geen echte voetbalvelden, hoogstens hier en daar een weiland, weet ik ook wel, maar ik móést het opschrijven, vraag me niet waarom.

Wat ik maar wil zeggen is dat dieren onnoemelijk veel ruimte nodig hebben om totaal niks te doen.

Ik doe ook wel eens totaal niks. Of ik dan ook rust, weet ik niet goed, want ik dénk dan wel. Mijn hoofd, dat gaat maar door. Ik weet niet hoe ik dat moet stoppen. Maar goed, voor deze omstandigheid waarin ik me dan bevind, heb ik ongeveer anderhalve (1,5) vierkante meter nodig. Dat is de oppervlakte van mijn leunstoel in de meest horizontale stand (eigelijk in iedere stand, maar om een of andere reden vind ik dan ‘oppervlakte’ een rare eigenschap. Voor de volledigheid, er passen ongeveer 1.500 leunstoelen op een voetbalveld.

Eh… opeens zie ik (Christo indachtig) een weiland in een bos vol met uitgevouwen leunstoelen voor me. En vraag ik me af hoe ik zoiets in het echt zou kunnen realiseren. Ergens op een schitterend groene licht glooiende vlakte, waar dan alle dieren nieuwsgierig op afkomen om verbaasd aan de rand te gaan staan kijken. De stoelen staan niet strak tegen elkaar, maar met wat ruimte ertussen, zodat vogels die over het veld heenvliegen niet alleen de stoelen zien, maar ook mooie groene strepen. De stoelen zijn geel. Of oranje. Weet ik nog niet.

‘Hm. En nu?’

Dat was Koala.

Oja, dat moet ik even uitleggen. Mensen die mijn blogs vaker lezen, weten dat Cavia mij verlaten heeft. Echt iets voor mij, een alter ego dat er met een ander vandoor gaat. Maar intussen is daar dus Koala. Koala slaapt veel, en als die wakker is, dan vooral om te eten, maar ook om bijdehand te doen. Met moeilijke vragen:

‘Weet je wat je nu aan het doen bent?’

Ik schudde mijn hoofd.

‘Je bent om de hete brij aan het draaien.’

Hm. Dat was misschien waar. Opeens besefte ik dat ergens in mijn achterhoofd een heel legertje gedachten aan het werk was geweest om, geheel tegen mijn karakter in want zonder woorden, het begrip ‘rust’ gestalte te geven. En dat alle uitwijding hierboven niet meer dan gedraal was, tekstueel gelanterfant om nergens uit te komen, in ieder geval niet bij het onderwerp van dit verhaal: rust.

Niks doen. Dat wil zeggen: niet meer werken. Want ik ben met pensioen. Ze zeggen wel eens: ‘Partir c’est mourir un peu’ (weggaan dat is een beetje sterven), maar in mijn geval kun je die ‘peu’ (dat ‘beetje’) wel weglaten. In de laatste paar maanden ging ik elke dag wel een paar keer dood van de zenuwen als ik eraan dacht. Want verandering, da’s niks voor mij, zeker niet als die ongewis is.

Maar iedere keer overleefde ik zo’n zenuwinzinking. Ik heet niet voor niets René (Frans voor herboren), dacht ik. Een Koala werd ook steeds enthousiaster.

‘Je kan het!’ riep die telkens als de vertwijfeling weer toesloeg.

Dus ging ik door. Vorige week beleefde ik mijn laatste werkdag.

En wat ga je nou doen? Vraagt iedereen. Weet ik niet… of nou ja, ik blijf natuurlijk gewoon denken en opschrijven wat ik denk. Om mijn neurosen te bedwingen. Zoals nu:

Een zin zonder punt is niet eng

Maar eerst ga ik mooie wandelingen maken in de bossen. En op zoek naar een mooi groen en glooiend weiland waar minstens 1500 leunstoelen op passen.

Hypothetisch

‘Ja, we geven elkaar dus al jaren een hypothetisch cadeau, maar dit jaar kan ik echt niks verzinnen,’ zei de vrouw op het ene paard tegen een andere vrouw op een ander paard.

‘Oh, waarom geef je niet gewoon…’ begon die andere vrouw, maar haar suggestie ging verloren in de wind. Waardoor ik zonder dat ik er erg in had en met behoorlijke tegenzin terugdacht aan de allereerste beatmis die ik meemaakte, ik weet niet meer waar en wanneer dat was, alleen dat ik het gênant vond, vanwege de rare would be hippies die met hun elektrische apparaten en instrumenten en veel te luide drumstel voor het altaar stonden en bij het minste of geringste in een lied uitbarstten, in alle gevallen een bloedeloze vertaling van echte jaren 60-klassiekers, die in het Nederlands opeens veel religieuzer betekenissen bleken te hebben dan ik er op mijn paars met oranje tienerkamer ooit achter had gezocht.

‘Het antwoord, mijn vriend, verwaait in de wind…’ zongen ze bijvoorbeeld. Zoetgevooisd. Wat het er niet beter op maakte, want daar is geen enkele tekst van Dylan uit die tijd tegen bestand.

Eh…

Waar was ik?

Oja, de suggestie van die mevrouw op dat paard. Ook mee met de wind.

Gelukkig. Want nou kon ik tenminste zelf iets bedenken. Dat wil zeggen… eerst moest ik weten wat een hypothetisch cadeau precies was. Niet iets wat ik zou willen hebben, dacht ik. Een cadeau dat op een veronderstelling berust, wat heb je daaraan?

Krijg je dat eigenlijk wel?

Is een hypothetisch cadeau ook voor een hypothetische verjaardag?

Hm…

Eigenlijk is iedere verjaardag natuurlijk hypothetisch. Je moet elk jaar maar weer afwachten of je het tot de volgende redt. Sorry, niet zo’n vrolijke gedachte, maar meer kan ik er niet van maken. Lees vooral door.

Nee, schrijf vooral door!

Dat laatste roep ik mijn hoofd tegen mijzelf (bij gebrek aan Cavia) want ik heb geen flauw idee van waar dit verhaal heengaat en tuur al een onrustbarend poosje naar mijn laptop, terwijl er ook nog eens twee intrigerende vrouwen aan het tafeltje naast mij zijn gaan zitten, intrigerend omdat ze misschien een tweeling zijn, maar dan op zo’n manier dat het telkens net is of ze geen echte tweeling zijn.

Ze lijken op elkaar maar niet als twee druppels water en ze zijn hetzelfde gekleed en toch ook weer niet. Ze dragen bijvoorbeeld wel allebei een crème kleurig jasje van een soort nepbont, maar het bont van de ene is min of meer langharig en dat van de andere heeft krullen. En beiden hebben een oud roze flare broek aan, maar de ene broek is van ribfluweel en de andere van gewoon fluweel. Tot slot: precies dezelfde kleur Nikes, maar de een air max classics en de andere air max 90’s.

Om gek van te worden!

Zoiets houdt me dan meer bezig dan dit verhaal, want ik wil natuurlijk weten hoe het zit, maar durf het niet gewoon te vragen aan die twee, want ze zijn zo in zichzelf gekeerd met elkaar bezig dat het erop lijkt dat de rest van de wereld voor hen niet bestaat en ik wil hen natuurlijk niet aan het schrikken maken door opeens wel te bestaan.

Als het ware.

En dan bedenk ik dat dit alles waarschijnlijk al meer dan genoeg bewijs is, dat ze als een soort twee-eenheid handelen, bedoel ik, alsof ze samen precies dezelfde dingen denken en samen één lichaam hebben, het is gewoon griezelig! Als die samen geen tweeling zijn, wat dan? Een folie a deux, maar dan op een goede manier? Kan dat?

Eh…

Als Cavia nog bij me was zou die me nu tot de orde roepen, zodat ik niet nog verder afdwaalde.

Dus dat doe ik zelf maar… terug naar dat hypothetische cadeau. Dat wil zeggen… ik heb best wel een levendige fantasie, al zeg ik het zelf, en dus leek het me een fluitje van een cent om even te verzinnen wat een hypothetisch cadeau is, inclusief een paar voorbeelden. Maar de makke met hypothetische dingen is dat je ze zo gek niet kan bedenken of ze kunnen bestaan. Dat is eigenlijk zo’n beetje wat ze zijn; dingen die kunnen bestaan. Dus een hypothetisch cadeau verzinnen, dat bleek moeilijker dan ik dacht, doodgewoon omdat ik uit de hele verzameling die spontaan in me opkwam er geen kon kiezen die het leukste was. Precies het probleem van die vrouw gokte ik.

Oh, hm… die mededeling over Cavia was te terloops… Ja, Cavia heeft me verlaten. Voor een andere schrijver nota bene. Een vrouw. Mensen hadden me er al voorzichtig op gewezen dat er een Cavia in haar verhalen figureerde, maar u weet hoe dat gaat, ik verdrong het. Tot ik haar opeens in een televisieshow in geuren en kleuren over haar nieuwe boek zag opscheppen en over Cavia hoorde praten alsof ze die al jaren kende!

Toen moest ik het wel geloven.

Dat heb ik weer, een alter ego dat me voor een ander verlaat… hoe sneu is dat?

Opeens stonden de twee vrouwen naast mijn tafeltje. ‘Hallo, wij zijn misschien een tweeling en wij houden ook helemaal niet van beatmissen!’ zeiden ze vrolijk. Unisono natuurlijk ‘En we houden al helemaal niet van antwoorden die wegwaaien! Vage shit!’

Ik knikte. Vond ik eigelijk ook. Ze glimlachten.

‘We hebben een hypothetisch cadeau voor u. Het zou kunnen bestaan, of niet. Wilt u het hebben?’

Ik wilde vragen wat het was, maar ik was bang dat ze me dan zouden uitlachen, dus ik knikte nog eens. Dat cadeau wilde ik wel.

‘Hoera!’ riepen ze. ‘Het is een nieuw alter ego! Een alter alter ego!’ Ze bliezen het in mijn ziel, stapten op hun paarden en galoppeerden naar de horizon.

En toen werd ik wakker.

(Wordt vervolgd.)

Met

Cavia legde de krant neer en zei: ‘nou, het Nederlandsche Genootschap voor Eufemismen heeft het woord ‘met’ op haar officiële woordenlijst gezet.’

‘Met?’ vroeg ik.

‘Ja, man! Met! Echt heel handig om niet te zeggen waar het op staat! Als je mensen wilt labelen maar ook weer niet.’

‘Oh? Ik dacht dat labelen politiek incorrect was…’

‘Dat bedoel ik juist! Het is labelen voor wie niet wil labelen.’ Ik keek Cavia glazig aan. Die zuchtte. ‘Okay, een paar voorbeelden: mensen… met een niet-westerse achtergrond; met overgewicht; met ervaringsdeskundigheid; met een (lichamelijke/psychische) beperking; met een hulpvraag; met een verhoogde (psychische) kwetsbaarheid; met een afstand tot de arbeidsmarkt, met een naderend levenseinde.’

‘Oh, ja, nou snap ik je! Dat ik dat niet eerder heb gezien! Wat heb je aan die termen?’ Cavia knikte.

‘Wat denk je van die laatste?’ zei die. ‘Iederéén is een mens met een naderend levenseinde! Jij ook!’

Tja, dat is zo. Maar eh… (ik richt me nu tot mijn lezers): U dus ook. Sorry. Dacht u leuk weer eens een blog van mij te lezen, kom ik met zoiets. Vergeet het. En lees vooral door.

Nog een eufemisme om gek van te worden: ‘mensen met een lastigere uitgangspositie’. Of een uitgangspositie lastig is, lijkt me afhankelijk van wat je wilt bereiken. Als het om de opleiding voor jongleurs gaat, dan heb ik een lastige uitgangspositie. Gaat het om lidmaatschap van de internationale coalitie voor zenuwlijders, dan maak ik een kans. Trouwens, het gaat om een lastigere uitgangspositie. Lastiger voor wie? Of lastiger dan wat? Kennelijk is er een een norm.

‘Oh, die is er altijd,’ zei Cavia, ‘check dat lijstje nog maar eens, in iedere term hebben ze een norm verstopt.’

Inderdaad.

Ik dacht aan verwarde personen. Die waren op een dag ineens ‘personen met verward gedrag’.

Dus personen zijn zelf niet verward, maar hun gedrag. De gedachte erachter is dat mensen meer zijn dan ‘hun’ ‘probleem’ – ja, beide woorden tussen aanhalingstekens, want ik vraag me af: gaat het wel om hún probleem en is het eigelijk wel een probleem? Hoe dan ook, de verwarring is kennelijk een eigenschap. Een label dus. Wat schieten we met dit verschil op? Ik in ieder geval niets. Dat leg ik uit. Met mijzelf als voorbeeld.

Ik gedraag me regelmatig verward (besef ik achteraf), en ben dan dus iemand met verward gedrag, maar soms bén ik dan ook verward. Andersom gedraag ik me wel eens verward, terwijl ik dat dan niet bén. En nóg eens andersom, ik heb in mijn leven heel erg goed geleerd om níét verward te doen terwijl ik (in mijn hoofd) wel degelijk verward ben. Camouflage heet dat. Zenuwslopende en bij nader inzien treurige strategie om me door het leven te slaan.

Oh, dat is een beetje somber. Vergeet het. Of nee, bedenk erbij dat het vaak ook hilarisch was/is. Of dat ik er in ieder geval hilarisch over kan vertellen. Zie al mijn andere blogs. Die zijn mijn redding. En waarschijnlijk onderdeel van de strategie, maar dat mag de pret niet drukken. Ik moet wat.

Het kan nog ingewikkelder. (Ik ben nu weer terug bij mijn vertoog over ‘met’.) Namelijk door de term te ontdoen van regelrechte betekenis. Een nieuw en beter eufemisme. Kennelijk was ‘met verward gedrag’ nog niet vaag genoeg. Dus werd de term: ‘met onbegrepen gedrag’.

Huh?

Wie begrijpt dan welk gedrag niet?

Als ik verward ben, dan is het vooral omdat ík het léven en de wéreld niet begrijp, inclusief alle mensen daarin. Dus ík zou dan zeggen: alle andere mensen zijn mensen met onbegrepen gedrag.

Maar dat dat is de bedoeling van die term niet. De persoon die verward is en/of doet, is altijd degene begrepen of niet begrepen wordt. Het doet er kennelijk niet toe of die zelf begrijpt of niet. Het zijn altijd de anderen die begrijpen, of niet.

Welke anderen? De mensen die de term hebben bedacht! Die bepalen dus de norm. Nogal uit de hoogte, toch? Trouwens, dát ze een naam geven is al uit de hoogte natuurlijk. Blijkbaar hebben ze de inbeelding dat ze zomaar namen aan anderen kunnen geven. Oké, ik geef toe dat het zonder namen voor alles wat er in de wereld is, allemaal wel erg ingewikkeld wordt. Maar waarom dan namen die precies níét doen waar ze voor bedoeld zijn, namelijk zeggen waar het om gaat?

Tja… in een eerdere versie van deze blog volgde op dit punt een hele bijdehante verhandeling waarmee ik verklaarde waarom mensen dat soort woorden gebruiken. Die heb ik dus geschrapt. De verhandeling, bedoel ik. Ik werd namelijk steeds bozer en bozer en dat is voor u ook niet gezellig om te lezen.

Waarom werd je dan boos, hoor ik u al vragen. Dat wilde Cavia ook wel eens weten.

‘So! Waar kwam dat opeens vandaan?’ vroeg die toen ik uitgeraasd was en het zweet van mijn voorhoofd wiste.

Ik wist het niet.

Ik moest wel opeens aan een van m’n laatste sessies in het revalidatiecentrum denken. Ik kreeg een nieuwe uitvinding aangemeten om mijn verlamde arm en hand in de goede stand te krijgen. Te dwingen, eigenlijk, want als je die zomaar een beetje laat hangen, krijg je een verdraaide arm met aan het einde een of andere reuzen vogelklauw.

Toen ik na een half uurtje sjorren opgetuigd voor de fysiotherapeute, ergotherapeute en de uitvinder zelf stond, glimlachten ze. Verbaasd, blij verrast, onder de indruk. ‘Dit is gewoon de normale natuurlijke houding!’ zeiden ze.

Ik staarde naar mezelf in de spiegel. Ook verbaasd. Over mijn weerzin.

‘Dit wilde je toch? vroeg Cavia.

Was dat zo? Ik wist het niet meer. Ja, ik had besloten dat ik alles zou proberen om te revalideren. Maar nu opeens vond ik het wel genoeg. Waarom had ik dat eigenlijk besloten? En wat voor een raar woord is revalideren eigenlijk? Ik zou natuurlijk nooit meer normaal worden, dus waarom al dit gedoe?

En eh… nu ik er nog eens over nadacht… ik wílde helemaal niet meer normaal zijn. Ik wilde gewoon abnormaal zijn.

Oh! Die twee woorden zette ik zonder na te denken achter elkaar: gewoon abnormaal. Dat zou mooi zijn!

Met verdraaide arm en aan het einde een of andere reuzen vogelklauw.

Laars

Hij zag de laars al staan toen hij de straat in reed. Voor de deur pakte hij meteen zijn mobieltje, nam een foto en begon te typen. Driftig, ieder woord en iedere zin stuurde hij meteen weg als zijn ergernis te groot werd om verder te denken.

‘Eh…’

‘Kijk eens wat hier staat.’

‘Heb jij de andere meegenomen?’

‘Als aandenken ofzo?’

‘Of is dit een of andere symboliek???’

‘Eén (1!) laars jatten?’

‘JA JATTEN!’

‘Hoezo dat?’

‘Serieus?’

Toen hij tien minuten later, uitgeraasd, in de huiskamer met een kop thee voor het raam naar de laars staarde, stond hij opeens weer in de Welkoop van Koudum. Zo ongeveer de laatste plek op de wereld waar hij iemand als haar had verwacht. Een 32 jarig hippie meisje als manager van de afdeling tuingereedschap en -machines? Nee. Van de afdeling bloemen en planten misschien. Toen Fenne hem aansprak, schaamde hij zich meteen voor zijn verbazing.

En Fenne had gedaan alsof ze er niets van had gemerkt. Dat was lief, vond hij. Hoe ze uiteindelijk van zijn nieuwe natuurvezel straatbezem en een bizar glimmende uitzet tuingereedschap bij de rubberen outdoorlaarzen waren beland wist hij niet meer.

Hij had een paar maten en modellen gepast en was uiteindelijk op die ene met het nutteloze riempje uitgekomen, in een 42, die prima zat. Toch had hij haar gevraagd of ze ook een 42,5 hadden of misschien wel een 43? (In de hoop dat die niet niet in voorraad waren, wat gelukkig zo was, zodat hij een week later terug moest komen, want dan zouden ze binnen zijn.)

Fenne had weer heel aandoenlijk gedaan alsof haar neus bloedde en de bestelling genoteerd. De vrijdag daarna had ze een bericht ingesproken om te zeggen dat de bestelling binnen was: ‘Goedemiddag meneer Borghesius, uw te grote en véél te grote laarzen zijn binnen. Schikt het u om ze een dezer dagen te komen passen?’

Dat was minder aandoenlijk, maar even leuk. Leuker zelfs. Hij hield wel van dat soort sarcasme, het was alsof ze elkaar al jaren kenden, alsof ‘mijnheer Borghesius’ haar koosnaam voor hem was. En oh… hij wilde nog veel meer van die berichtjes.

Die kreeg hij, de een nog grappiger en liever en poëtischer dan de andere. Voicemails, appjes, e-mails, lange papieren brieven. Die hij allemaal nog grappiger en liever en poëtischer beantwoordde. Het was alles bij elkaar wel een hele lange aanloop naar iets wat anderen tegen elkaar aangevlijd in elkaars oor zouden fluisteren, maar het was ook onvermijdelijk, beseften ze allebei. Ze moesten eerst hun harten uitstorten. Schoon schip maken.

Maar op een dag had Fenne hem een zelf gemaakte ansichtkaart gestuurd: ‘Sebastiaan, ik weet niets meer om te dichten. Ik wil in plaats van jouw dichter zijn, dichter bij jou zijn.’ Ze had het goed gezien, soms had hij een duwtje in de rug nodig. Hij had zijn tranen weggeveegd was op zijn motor gesprongen.

Daarna was het hek van de dam. Een maand later trok Fenne al bij hem in, in zijn huisje aan de rand van Warns en ze werden gelukkig. Domweg gelukkig aan de Skarlerdijk.

Met uitzicht op de polder.

Helemaal niets en toch prachtig. Dat was zijn liefdesverklaring aan het landschap, het landschap dat zonder dat ze het merkten steeds meer ging lijken op hun leven. Of eigenlijk andersom. Hun leven was steeds meer niets en steeds minder prachtig.

Hij was naar dat lege land gekomen om rust te vinden. Trager te leven. Minder gejaagd. Dat was gelukt. Zelfs met een onverwachte liefde. Maar het was veel te goed gelukt, besefte hij op een dag. Na twee jaar was hun ooit heerlijk trage leven tot stilstand gekomen. En ergens diep in zijn hart was hij bang dat een duwtje in de rug niet meer zou helpen.

Fenne had zich van de weeromstuit op de tuin gestort. (In zijn laarzen, wat hij ooit onweerstaanbaar aantrekkelijk had gevonden, maar nu opeens gewoon potsierlijk.)

‘Misschien moeten we alles gewoon laten verwilderen,’ had hij op een avond gezegd toen Fenne min of meer verbaasd verzuchtte dat niets meer wilde groeien. ‘Gewoon de natuur zijn gang laten gaan en dan kijken wat er gebeurt.’ Een metafoor die niet bij haar aankwam, omdat het hem niet lukte erbij te glimlachen.

Maar hij had haar toch aan het denken gezet, want een paar dagen later stelde zij opeens voor om te verhuizen.

Naar de stad. Zijn stad. Utrecht.

‘We kunnen dit huis een tijdje aanhouden en daar iets huren. En dan zien we wel…’ had Fenne gezegd. ‘Kunnen we ook mooi meteen de tuin laten verwilderen.’

Glimlach. Hij had teruggelachen. En gebloosd.

Toch nog een duwtje in de rug.

Ze verhuisden zo’n driekwart van de huisraad en hun kleding, zodat het huisje in Warns in noodgevallen toch een beetje bewoonbaar bleef. In de stad hadden ze geen tuin, een bestraat plaatsje was alles, dus had Fenne alleen de bezem ingepakt.

En dus kennelijk zíjn laarzen.

Op het scherm van zijn mobieltje verscheen melding. Fenne appte hem terug.

‘De andere staat in de kast onder de trap. Achterin.’

‘Ik wilde deze inderdaad jatten.’

‘JA! JATTEN!’

‘Als aandenken 🥲’

‘En toen ik kreeg spijt. Maar wilde niet meer terug naar binnen.’

Hij legde zijn mobieltje weg en staarde weer naar de laars… Hé, wat staat die man daar nou? Hij wachtte even om te zien wat de man van plan was… niets, hij stond daar maar.

Er tikte iemand op mijn schouder. Ik schrok en keek om. Een man.

’Gaat het goed met u meneer?’ vroeg hij.

Oh shit, ik was weer eens ergens op straat in gedachten verzonken blijven staan. Waarom kan ik niet lopend een verhaal verzinnen?

Ik knikte.

De man bleef naast me staan en samen keken we naar de laars. Ongemakkelijke stilte. Tot hij de laars van de grond pakte en die als een kind tegen zich aandrukte.

Opeens leken de rollen omgedraaid. ‘Gaat het wel goed met ú?’ vroeg ik. Hij schudde zijn hoofd. ‘Kan ik u ergens mee helpen?’ Hij haalde zijn schouders op. Fronste zijn wenkbrauwen. Dacht na.

‘Welke maat schoenen heeft u?’

Die vraag had ik niet verwacht.

‘Eh… 42’

‘Wacht even.’ Hij liep zijn huis weer in en kwam even later terug met een tweede laars. Hij gaf ze allebei aan mij en zei: ‘Ik hoef ze niet meer.’

‘…?’

‘Een lang verhaal… dat ik ook niet ga vertellen… maar u lijkt mij iemand die er zelf een ook wel een verhaal bij kan verzinnen.’

Het was al af.

Probleemwolf

Ik ga dit verhaal niet beginnen met te zeggen dat de wolf en in het het bijzonder de ‘probleemwolf’ de gemoederen goed bezig houdt, omdat ieder krantenartikel daar al mee begint. Lekker origineel.

Hoewel dat woord ‘gemoederen’ mij wel intrigeert. Het is gewoon het meervoud van gemoed maar het lijkt ook een beetje op een werkwoord.

‘We moeten alle drachtige ooien volgende week gemoederen voordat ze straks weer alle jonge berkjes plattrappen,’ zei de voorzitter van de Veluwse heidefederatie tegen de regievoerder van het herderscomité.

Zoiets.

Of: ‘Verboden te gemoederen’, op de rand van de houten roeiboten die je kunt huren bij Rederij Visscher aan de Krogerplas bij Dunxterloo (G).

Wat me meteen weer terug bij de wolf brengt, want in alle berichten over het exemplaar dat kennelijk rond het Treekermeer doolt, dook opeens een werkwoord op dat ik niet kende: zenderen.

(Trouwens, haast niemand doolt meer, volgens mij alleen wolven nog, alleen daarom al moeten we zuinig op ze zijn, eh… o, nou heb ik de teneur van mijn vertoog min of meer verklapt, nou ja, ik ga zoals gewoonlijk allerlei omzwervingen maken – zoals de wolf – dus lees vooral door.)

Waar was ik? Oja, zenderen. Een meneer van de zoogdierenvereniging die ook wolvenkenner en adviseur van de provincie is, kwam ermee op de proppen. We moeten de wolf niet doodschieten, maar zenderen, zei hij. Dat is een soort electronic monitoring voor dieren. (Sorry, beroepsdeformatie.) Met dit verschil dat boswachters niet even op hun knieën kunnen om een enkelbandje om te doen. Dat vindt zo’n wolf niet goed. Die blijft dus niet stilstaan. Sterker nog, de meeste wolven willen ook helemaal niet verdoofd worden. Dus stiekem een apparaatje ‘inbrengen’ (eek!) lukt ook niet. Ze lopen telkens heel treiterig verder weg dan 30 meter, zodat niemand ze kan raken met een verdovingsgeweer. Zeggen de wolvendeskundigen.

Geef ze eens ongelijk. De wolven bedoel ik.

En die wolf dreigen met het openbaar ministerie of de rechter heeft natuurlijk ook geen zin. Die willen daar hun vingers niet aan branden.

Funfact, er zijn tijden geweest dat dieren wel voor het gerecht werden gesleept. Lees dit maar eens. En doe het niet af als een bizarre gewoonte van achterlijke middeleeuwers. Het zijn mijn favoriete voorbeelden van serieus respect voor dieren.

Goed.

Geen wolven voor de rechter dus, maar ze hebben wel rechten. Min of meer, want ze weten zelf natuurlijk van niks. Hoe dan ook, er zijn ‘internationale afspraken voor soortenbescherming’.

Ja, echt!

Daarin staan regels voor zenderen.

Ja, echt!

Maar laat ik niet flauw doen, ik snap dat wel. Als iedereen maar een beetje naar eigen believen wolven gaat zenderen, raken we het overzicht kwijt. Want die wolven lopen de hele tijd kriskras door de natuur en door elkaar, waardoor de mensen op het coördinatiecentrum waarschijnlijk zelf helemaal de weg kwijtraken. En dan hebben die wolven vrij spel.

Net als vroeger. En da’s nou ook weer de bedoeling niet. Denk ik.

Bij al die wolvenverhalen heb ik trouwens vaker last van beroepsdeformatie, want toen ik ze las, kreeg ik stukje bij beetje het vermoeden dat een ‘probleemwolf’ niet zomaar een wolf was die voor gedoe zorgt. Nee, het zou me niet verbazen als er ergens een officiële definitie van ‘de probleemwolf’ was. Dacht ik.

En ja hoor, die is er. Het is nog mooier, op de website van de zoogdierenvereniging, staat een complete tabel om te bepalen of er bij een interactie sprake is van een probleemwolf of een probleemsituatie. (Subtiel gekozen eufemisme trouwens, interactie, dat van alles kan zijn, van een beetje nieuwsgierig naar elkaar staren tot een wolf die aan je zij hangt met je bovenarm tussen zijn kaken).

Wat het verschil tussen ‘probleemwolf’ en ‘probleemsituatie’ is, ga ik hier niet uitleggen. Maar laat ik zeggen dat die tabel een hartverwarmende poging is om het vraagstuk te ontrafelen, maar dat het me wel tegenviel dat de zoogdierenvereniging vooral het perspectief van de mens kiest. Ja, mensen zijn ook zoogdieren, weet ik, maar dat voelt toch een beetje als valsspelen als ze zichzelf voortrekken.

Zo is een wolf die ‘herhaaldelijk goed beschermd vee doodt en steeds manieren vindt om preventieve maatregelen te overwinnen’ een ‘probleemwolf’. Ik zou zeggen dat zo’n wolf een vindingrijke wolf is. En herhaaldelijk vee doden, dat doen mensen ook. Veel vaker zelfs. Om over de manieren die we hebben gevonden om dat te doen maar niet te spreken. Het is dat ik niet aanmatigend wil doen door over probleemmensen te spreken, maar het lijkt me toch zeker een probleemsituatie. Gezien de toestand van de planeet.

Goed, over dit soort dingen liep ik afgelopen zaterdag te mijmeren aan de rand van de Leersumsche plassen toen een jongen van een jaar of veertien me inhaalde op zijn fatbike.

Probleemfiets.

Hij hobbelde zonder op of om te kijken gemoedelijk verder, langs een meneer op een bankje en daarna langs een verboden toegang-bord waaronder op een ander bord stond uitgelegd dat er een kwetsbaar natuurgebied lag waar vogels aan het broeden waren en andere dieren lagen te rusten.

De jongen reed te hard om dat allemaal te lezen.

Probleemjongere.

De meneer riep hem nog na, maar dat hoorde hij niet.

Want koptelefoon.

‘Ik hoop dat hij zo in de armen van een BOA rijdt’, zei de man tegen mij, ‘of dat-ie tot zijn stuur in de modder zakt, of…’

Hm… ze zeggen van mij weleens dat ik veel fantasie heb, maar die meneer wist qua verbeeldingskracht ook van wanten. En van geen ophouden. Hij was ook iets wraakzuchtiger dan ik. Want het liep in alle verhalen die hij voor de jongen bedacht slecht met hem af. Met de jongen bedoel ik.

Op een gegeven moment wilde ik maar weer eens verder lopen, omdat ik eerlijk gezegd een beetje zenuwachtig van de meneer werd. Hij was heel erg boos en ik had daar niet zo heel veel aan toe te voegen. Hij had alles al gezegd. Meer dan me lief was.

‘Een wolf !’ riep de man toen ik hem gedag zei. Nóg een doemscenario voor de jongen. ‘En dan een echte probléémwolf. Dat beest mag hem best een beetje bijten ofzo.’ Hij keek me aan. ‘Oké, omverduwen mag ook. Doen ze ook wel eens. En dat die jongen dan een rotsmak tegen de grond maakt…’ ik keek weer niet enthousiast genoeg. ‘Of misschien dat die wolf gewoon achter de fatbike aanrent om te spelen? Krijgt die jongen vast en zeker ook de zenuwen van. Dat is ook een mooie revanche voor de natuur toch…?’ ik knikte en draaide me om want ik wilde nu toch echt doorlopen.

‘Meneer? Meneer?’ De man gaf me een paar zachte klapjes tegen mijn wangen. ‘Zag u ze niet, die andere fatbikes? U had opeens ook zo’n haast! Kom dan help ik u overeind.’

Even later zat ik naast hem op het bankje bij te komen. We raakten aan de praat en al snel bleek dat hij ook van beleid was. Andere organisatie, maar dat maakte niet uit, want binnen de kortst keren hadden we elkaar gevonden in een plan om ook een tabel te maken waarmee een inter-provinciale fatbikecommissie dan probleemjongeren, -fietsen en -situaties van elkaar kon onderscheiden om de juiste interventies te plegen.

In het addendum bij de tabel hebben we ook aanwijzingen opgenomen voor zenderen van de fatbikes (en/of de berijders) en, als ultimum remedium, regels voor gemoederen.

Voor je weet nooit.

p.s. De foto is van Wikimedia Commons. Zie hier.